- 15.14 de uitgang van een werkwoordsvorm wordt bepaald door het onderwerp van de zin
- 15.15 en 15.16 het werkwoord onderschied persoon en getal en kent zo zes vormen: 1e/2e/3e persoon - enkelvoud/meervooud
- 15.17 en 15.18 het Grieks kent tegenwoordige tijd (praesens), toekomende tijd (futurum), verleden tijden. De te onderscheiden verleden tijden zijn:
- imperfectum; geeft aan hoe een gebeurtenis verliep (ik deed)
- aoristus; geeft aan dat iets gebeurde (ik deed dat toen)
- perfectum en plusquamperfectum (voltooide tijden); geven aan dat een gebeurtenis voorbij is
- 15.20 het herkennen van de tijd, persoon, getal van een werkwoordsvorm betekent neit dat de betekenis daarmee vastligt, ook moet gelet worden op de gramaticale structuur van een zin en de context
- 15.21 Het onderscheidd tussen ‘active and passive voice’ is wat in het Nederland genoemd wordt de ‘bedrijvende en de lijdende vorm’
- 15.22 De ‘indicative mood’ is wat in het Nederlands ‘aantonende wijs’ wordt genoemd; er zijn vier ‘wijzen’:
- onbepaalde wijs (infinitief)
- aantonende wijs (indicatief)
- gebiedende wijs (imperatief)
- aanvoegende wijs (conjunctief)